Herkennen van (dreigende) pathologie en trauma van de bovenste luchtweg

Bron: NRR 2025

De bovenste luchtwegen bestaan uit neus en neusholte (nasopharynx), mondholte, keelholte (oropharynx) en larynx. De voorhoofdsholten (sinussen) maken eveneens deel uit van de luchtweg. Deze ontwikkelen zich op jonge kinderleeftijd.

De belangrijkste functies van deze onderdelen van de bovenste luchtweg zijn: verwarmen, bevochtigen en reinigen van de inademingslucht.

Oorzaken van hoge luchtwegobstructie kunnen zeer uiteenlopend zijn. Ze kunnen te maken hebben met de aanleg van diverse structuren in de neus-, mond- en keelholte, en het strottenhoofd, maar ook met bepaalde ziekten, trauma of het in de mond stoppen van speelgoed of andere voorwerpen kan leiden tot een acute gedeeltelijke of volledige obstructie van de hoge luchtweg.

Om een goed beeld te verkrijgen, is van belang:

  • De algehele presentatie van het kind. Huilt/praat het kind?
  • Het ‘verhaal’ (gegevensoverdracht/heteroanamnese)
  • De klinische toestand van het kind (observeer door te ‘kijken – luisteren – voelen’)

Bepaalde tekenen kunnen de zorgverlener attenderen op (potentiële) bedreigingen van de hoge luchtweg of symptomen van een al geobstrueerde hoge luchtweg, zoals:

  • Bewustzijnsdaling tot bewusteloosheid;
  • Cyanose;
  • Geen volume, terwijl het kind wil huilen/spreken/de mond beweegt;
  • (Inspiratoire) Stridor, heesheid, blafhoest;
  • Tekenen van trauma van het aangezicht, de hals en/of de nek;
  • Aanwezigheid van secreet in mond-/keelholte en/of de neus;
  • Zwelling van tong, slijmvliezen of tonsillen;
  • Speekselvloed/kwijlen/niet of moeilijk kunnen slikken;
  • Aanwezigheid van een corpus alienum;
  • Verschroeide neusharen of blaarvorming op de lippen.

Het is belangrijk dat bij kinderen met een acuut bedreigde luchtweg opwinding en stress zoveel als mogelijk vermeden wordt, omdat ten gevolge van stress de situatie extreem kan verslechteren en een gedeeltelijke obstructie snel kan veranderen in een totale obstructie. Elke handeling vergt een zorgvuldige afweging en de medewerking van ouders is essentieel!

1. SEH – Acute presentatie na corpus alienum

Situatie:
Een 3-jarig jongetje wordt binnengebracht op de SEH nadat hij tijdens het spelen plots benauwd werd. Het kind is angstig, hoest matig en heeft inspiratoire stridor.
De ouders vertellen dat hij vermoedelijk een legoblokje in de mond had.

Observatie:

  • Kind is alert, probeert te huilen maar zonder volume.
  • Inspiratoire stridor hoorbaar, gebruik hulpademhalingsspieren.
  • Kwijlen door moeite met slikken.

Actie:
Het kind niet onnodig agiteren → arts en verpleegkundige instrueren de ouders om het kind op schoot te houden. Er wordt zuurstof in de buurt gehouden, en het team bereidt zich voor op een eventuele laryngoscopie en verwijdering corpus alienum.

2. Kinderafdeling – Progressieve tonsillitis/peritonsillair abces

Situatie:
Een 9-jarig meisje wordt opgenomen met hoge koorts, keelpijn en toenemende moeite met slikken. Ouders geven aan dat ze de laatste uren speeksel niet meer doorslikt.

Observatie:

  • Hese stem.
  • Zwelling zichtbaar in keelholte.
  • Kwijlen, angstig.
  • Saturatie normaal, maar kind ademt sneller en oppervlakkig.

Actie:
De kinderarts voert een kijken-luisteren-voelen-onderzoek uit en besluit tot snel KNO-consult. Ondertussen wordt het kind rustig gehouden op de kamer, ouders blijven aanwezig om spanning te verminderen. Infuus wordt voorbereid, maar manipulatie van keel wordt vermeden vanwege risico op verergering obstructie.

3. IC – Ernstige luchtwegzwelling bij anafylaxie

Situatie:
Een 5-jarige jongen ligt op de IC na een ernstige anafylactische reactie. Hij vertoonde forse zwelling van tong en larynx en was cyanotisch bij opname. Inmiddels is hij geïntubeerd en wordt beademd, in afwachting van overplaatsing en verdere behandeling op de PICU.

Observatie:

  • Geen spontane ademhaling door intubatie.
  • Uitwendig zwelling lippen en tong zichtbaar.
  • Ouders angstig aanwezig, stellen vragen over het verloop.

Actie:
Het IC-team blijft frequent reassessment doen op vitale functies. De verpleegkundige legt ouders uit wat er gebeurt en benadrukt dat hun aanwezigheid geruststellend is voor hun zoon, ook al is hij nu bewusteloos. Stressreductie blijft belangrijk: alle handelingen verlopen rustig en gepland.

4. Recovery – Postoperatief larynxoedeem

Situatie:
Een 7-jarig meisje wordt wakker na een adenotonsillectomie. Kort na extubatie ontstaat inspiratoire stridor met intrekkingen en blafhoest.

Observatie:

  • Kind wil huilen, maar stem klinkt hees en zacht.
  • Stridor hoorbaar, gebruik van hulpademhalingsspieren.
  • Saturatie daalt van 98% naar 90%.

Actie:
De recoveryverpleegkundige roept direct de anesthesioloog erbij (Get Help). Het kind wordt rechtop gezet, krijgt verneveling met adrenaline en extra zuurstof. Ouders worden erbij geroepen om het kind te kalmeren en paniek te voorkomen. Het team houdt intubatie-instrumentarium paraat voor eventuele escalatie.

Kernpunten in alle settings

  • Risico-inventarisatie: herken rode vlaggen zoals stridor, kwijlen, heesheid, cyanose en bewustzijnsdaling.
  • Stress vermijden: elke vorm van onrust kan een gedeeltelijke obstructie laten omslaan in een totale obstructie.
  • Rol ouders: essentieel voor geruststelling, steun en het beperken van angst.
  • ABCDE-benadering: steeds opnieuw reassessment na elke interventie.

Kijk/luister naar de algehele presentatie van het kind, het ‘verhaal’ van kind/ouders/verzorgers, de klinische toestand van het kind (‘kijken – luisteren – voelen’).